Kunstwerk in de kijker

Asger Jorn
Verjum (Denemarken) 1914 - Aarhus (Denemarken) 1973

Verontrustende extase (1956)
Olieverf op doek, 81 x 100
Legaat Alla Goldschmidt-Safieva, Brussel, 1990, inv. 11189

Asger Jorn Verontrustende extase (1956)

Olieverf op doek

Vanaf 1936 verblijft Asger Jorn in Parijs, waar hij voor Fernand Léger werkt en naar aanleiding van de wereldtentoonstelling van 1937 voor Le Corbusier een kindertekening uitvergroot. Hij wordt er ook sterk aangesproken door het spontane element in het surrealisme van Joan Miro en Max Ernst.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontpopt hij zich in de Deense groep Helhesten (Hellepaard) tot sterk geëngageerd kunstenaar en werkt mee aan hun tijdschrift. Zijn schilderijen uit die periode gelijken op vegetatieve landschappen, bevolkt met mythische wezens en geborsteld in een zware expressionistische stijl. In 1947 neemt Jorn als enig lid van de Deense groep voor experimentele kunst deel aan het internationaal congres van het revolutionair surrealisme te Brussel. Hij leert er Christian Dotremont kennen. Samen worden ze de opgemerkte woordvoerders en bezielers van de internationale groep CoBrA.  In het maartnummer van 1949 van het gelijknamige tijdschrift wijst Jorn het surrealisme af. In 1953 publiceert hij de tekst Spiralen voor een tentoonstellingscatalogus, waarin hij stelt dat hij enkel “de spiraal, sleutel tot de grafische voorstelling van het dynamisch beginsel in filosofie en kunst”, als enige, organische symbool erkent.

In het doek Verontrustende extase van 1956 wervelen blauwe en groene slingerende lijnen rond de kleine gele spookachtige figuren met vergrote gemaskerde gezichten. Het uitgangspunt is de jaarlijkse carnavalsoptocht in het Italiaanse stadje Albisola bij Turijn, waar hij sinds 1954 samen met Appel, Corneille, Baj en Fontana werken in keramiek realiseert. Jorns explosieve en materiegerichte schilderwijze onderstreept de opzwepende bewegingen van de in trance verkerende feestenden. Hoewel de losse penseelvegen en gedurfde kleurstelling anders laten vermoeden, is hij de planmatige vormanalyse van Léger en Le Corbusier niet vergeten. Dat blijkt vooral uit de evenwichtige opbouw van de voorstelling en de gecontroleerde verdeling van de kleurwaarden binnen het beeldvlak. In 1956 stelt hij verschillende schilderijen uit Albisola tentoon in de Brusselse galerij Taptoe.

In Jorns experimenten met materialen en technieken tekent zich het wankel evenwicht af in de discussies van de avant-garde in de jaren vijftig omtrent de keuze tussen abstracte of figuratieve schilderkunst. Hij laveert in zijn schilderijen en geschriften voortdurend tussen beide uitersten.

(Jacques Lust)